Op 26 november 2025 adviseerde de ASP haar leden om de DLR-vraagstelling, een nieuwe vraagstelling aan medisch deskundigen opgesteld door een werkgroep binnen De Letselschade Raad, vooralsnog niet te gebruiken. Aanleiding waren onder meer zorgen over de gewijzigde vraag 2. Inmiddels is er, na intern beraad binnen de ASP, aanleiding dat advies niet alleen te herhalen, maar ook nader toe te lichten.
Verband met de gewijzigde RMSR
De zorgwekkende wijziging in vraag 2 hangt naar het zich laat aanzien deels samen met een aanpassing in de Richtlijn Medisch Specialistische Rapportage (RMSR). Die richtlijn, opgesteld door de Nederlandse Vereniging voor Medisch Specialistische Rapportage (NVMSR), schrijft deskundigen voor hoe ze hun onderzoek en rapportage moeten inrichten. De DLR-vraagstelling verwijst naar deze richtlijn.
In de versie van 2024 draagt de RMSR de deskundige op om de medische voorgeschiedenis actief bij het onderzoek te betrekken. Daarmee gaat de richtlijn voorbij aan het debat dat partijen, slachtofferadvocaten en verzekeraars, voorafgaand aan de opdracht over die voorgeschiedenis voeren. Juist dat debat is cruciaal: het bepaalt welke medische informatie relevant en proportioneel is voor het onderzoek. Bovendien wordt aan de deskundige, die doorgaans specialist is op een bepaald medisch gebied, gevraagd om iets te zeggen over de algehele gezondheid van de benadeelde. Het lijkt deskundigen uit te nodigen om uitspraken te doen die in strijd zijn met de eis van deskundigheid, die onder meer inhoudt dat de deskundige geen uitspraken doet die buiten zijn vakgebied of anderszins buiten zijn competentie vallen. Dit kan tuchtrechtelijke complicaties geven. Minstens zo zorgelijk is dat deze wijziging tot stand lijkt te zijn gekomen zonder consultatie van één van de opdrachtgeefsters; de slachtofferadvocatuur.
Onderzoek door commissie van ASP-leden
Op de algemene ledenvergadering van april jl. heeft de ASP daarom besloten een commissie van leden in te stellen. Zij onderzoekt hoe de aanpassing van de RMSR tot stand is gekomen, welke overwegingen daaraan ten grondslag liggen en welke consequenties de nieuwe lijn kan hebben voor individuele rechtzoekenden.
Extra aanleiding voor dit onderzoek vormt een signaal van enkele leden. Deskundigen die lid zijn van de NVMSR worden sinds 2024 bij de periodieke kwaliteitstoetsing specifiek bevraagd op juist dit aspect van de voorgeschiedenis. Dat maakt een pas op de plaats des te urgenter.
Zelfregulering is waardevol, maar vraagt om zorgvuldigheid
Dat deskundigen zich organiseren en toezien op de kwaliteit van hun beroepsgroep, is een groot goed. In beginsel komt de NVMSR daarbij veel ruimte toe. Waar aangepaste criteria echter onbedoeld negatief kunnen uitwerken voor individuele slachtoffers en nadere discussies kunnen oproepen, past terughoudendheid en ligt overleg met (vertegenwoordigers) van opdrachtgevers aangewezen. Zolang niet vaststaat dat onaanvaardbare gevolgen uitblijven, kiest de ASP voor voorzichtigheid.
Aangescherpt advies aan de leden
In afwachting van het commissieonderzoek herhaalt de ledenvergadering van de ASP met klem haar eerdere advies: gebruik de DLR-vraagstelling (nog) niet.
Oproep aan het werkveld
De ASP informeert ook de andere spelers in het letselschadeveld. De manier waarop deze wijziging is doorgevoerd, werkt een effect in de hand dat haaks staat op het oorspronkelijke doel van de IWMD: rust en voorspelbaarheid rond de vraagstelling. Juist die jarenlange stabiliteit dreigt verloren te gaan.
Aan alle partijen daarom de oproep om, zolang er geen duidelijkheid is, de (oude) IWMD-vraagstelling te blijven hanteren en de regie over informatie uit de voorgeschiedenis bij de opdrachtgevers te laten. Pas als het veld gezamenlijk kan beoordelen of de nieuwe lijn aanvaardbaar is, is een volgende stap aan de orde.