Tijdens onze voorjaarsvergadering in april 2026 is opnieuw gesproken over deze vraagstelling. Gebleken is dat een deel van de door ons gesignaleerde problemen in de DLR-vraagstelling voortkomt uit de gewijzigde Richtlijn Medisch Specialistische Rapportage (RMSR), die in de DLR-vraagstelling is geïncorporeerd. Die gesignaleerde problemen zien onder meer op vraag 2 in de DLR-vraagstelling en de wijze waarop een eventuele medische voorgeschiedenis in deskundigenonderzoeken wordt betrokken. Tijdens de voorjaarsvergadering is besloten om een commissie in te stellen die de achtergrond en gevolgen onderzoekt van deze richtlijn en hoe wij ons daartoe het beste kunnen verhouden.
In afwachting van de bevindingen van de commissie handhaaft de ASP nadrukkelijk haar eerdere advies aan leden om de DLR-vraagstelling 2025 (vooralsnog?) niet te gebruiken en de (‘oude’) IWMD-vraagstelling te blijven hanteren. Daarbij wijst de ASP erop dat juist de stabiliteit en voorspelbaarheid van de IWMD-vraagstelling jarenlang hebben bijgedragen aan rust in de praktijk van het deskundigenonderzoek.
Dat standpunt leek ook steun te vinden in de rechtspraak. In de beschikking van de Rechtbank Rotterdam van 10 april 2026 (ECLI:NL:RBROT:2026:4483) oordeelde de kantonrechter dat de oude IWMD-vraagstelling moest worden gebruikt bij een neurologisch en neuropsychologisch onderzoek, ondanks het bestaan van een ‘nieuwere’ (DLR-)versie. Doorslaggevend was dat één partij inhoudelijke bezwaren had tegen de nieuwe vraagstelling, terwijl tegen de oude vraagstelling geen inhoudelijke bezwaren bestonden en partijen daar bovendien eerder al overeenstemming over hadden bereikt.
De Rechtbank Gelderland keek hier in een beschikking van 1 juli 2026 in een deelgeschil (ECLI:NL:RBGEL:2026:6378) anders naar en heeft de DLR-vraagstelling vastgesteld, ondanks de bezwaren daartegen (en verwijzing naar het standpunt van de ASP). De rechtbank lijkt echter niet volledig juist geïnformeerd te zijn, nu zij overweegt:
“De nieuwe vraagstelling is tot stand gekomen onder leiding van de Letselschade Raad, een onafhankelijke organisatie, waarin alle partijen vertegenwoordigd zijn die bij de behandeling van letselschadezaken betrokken zijn. De Letselschade Raad is daarbij niet over één nacht ijs gegaan. Integendeel, de nieuwe vraagstelling is tot stand gekomen na een intensief proces van zes jaar, waarin de vorige versie van de vraagstelling is geëvalueerd en vervolgens is gereviseerd. Die evaluatie heeft branchebreed plaatsgevonden.”
Zoals blijkt uit het eerdere bericht op deze site, is er fundamentele kritiek op de wijze waarop de DLR-vraagstelling tot stand is gekomen. De ASP betreurt het dat haar inhoudelijke bezwaren tegen deze vraagstelling door de deelgeschilrechter worden gepasseerd, waarbij de deelgeschilrechter enkel opmerkt dat de ASP opkomt voor de belangen van slachtoffers. Uiteraard is het juist dat de ASP opkomt voor de belangen van slachtoffers, maar dat is geen reden om niet inhoudelijk op de fundamentele kritiek in te gaan.
Het is nu wachten op de bevindingen van onze commissie en naar verwachting kunnen we de bevindingen en de verdere verhouding tot de vraagstelling nader bespreken op de najaarsvergadering van de ASP. Tot die tijd blijft het advies: gebruik DLR-vraagstelling (nog?) niet!